Durven de huidige hardlopers en andere atleten nog  ‘met de billen bloot’ ? In fatsoenlijk Nederlands kun je dat vertalen als: de confrontatie aangaan met de werkelijkheid. Die werkelijkheid is dikwijls hard en soms ontluisterend. Velen zullen dit een verhaal van ‘oude koeien uit de sloot halen’ vinden, maar moet je het daarom maar niet onder de aandacht brengen?

Veel atleten gaan bijna nooit met de billen bloot. Ze zijn lid van een atletiekvereniging of loopclub, maar doen zelden of nooit aan wedstrijden mee. Ze zijn lid vanwege de gezelligheid, goed voor de gezondheid, omdat familie, vrienden of kennissen lid zijn en dat soort redenen. Prima natuurlijk, maar de sport zelf heeft er eigenlijk niets aan. Werden mensen dan vroeger lid, omdat ze dachten olympisch kampioen te kunnen worden? Natuurlijk niet. Dikwijls was dat ook toeval.

Mijn broer en ik waren in het begin van de jaren 60 lid van handbalvereniging Hellas. In de jaren 60 was handbal in de zomer ook een veldsport. Onze trainer stuurde echter regelmatig zijn kat. Gelukkig konden we dan meetrainen met AV’56. Voor onze leeftijd was atletiek echter nog niet toegankelijk. Pupillenatletiek bestond niet en je kon pas lid worden in het jaar dat je 12 werd.

Wim deed dat direct, maar bij mij duurde het iets langer. Begin 1964 meldde ik me aan bij AV’56 en in april liep ik mijn eerste wedstrijd. Aan wedstrijden meedoen was toen vanzelfsprekend en dat zou het nu ook moeten zijn. Je gaat toch ook niet op voetbal om alleen maar te trainen!

Voor onze generatie was 20 tot 30 (of meer) wedstrijden per jaar een normale zaak, maar dat is helemaal veranderd. Men ‘piekt’ hoogstens nog naar een paar aansprekende hardloopevenementen en verder alleen trainen. 


Meesjokken in een massaloop

Dikwijls denken we hierbij dan aan de grote groep recreanten, die meesjokken in een massaloop. Maar is het bij toppers en subtoppers tegenwoordig eigenlijk niet een beetje van hetzelfde? Ik las in het Duitse hardlooptijdschrift Spiridon n.a.v. het grote aantal afzeggingen van Duitse toppers bij het WK indoor het volgende: “Vroeger liepen ze per jaar minstens 20 wedstrijden en gingen ze 1 week op trainingsstage, meestal rond de Pasen. Tegenwoordig is het omgekeerd. Ze lopen nog amper 7 wedstrijden per jaar en verblijven 20 weken in het buitenland om te trainen”.

Gevolg? Niemand van het grote publiek kent deze atleten nog en de belangstelling bij de media voor atletiek wordt steeds kleiner. Organisaties op amateurbasis trekken de stekker uit hun wedstrijd en voor de wedstrijden van commerciële organisaties betaal je je blauw aan inschrijfgeld. En behalve het legertje proflopers is dat verder meer een optocht dan een hardloopwedstrijd, met prestaties waar lopers, die vroeger wel met de billen bloot durfden gaan, hun neus voor ophalen.


Deelnamecijfers gezakt

Dicht bij huis zien we hetzelfde. Voor onze uurloop op 24 juni was bij de Zeeuwse (sub)toppers nauwelijks belangstelling, ondanks het aangekondigde prijzengeld en premies. De deelnemersaantallen bij het stratenloopcircuit en de crosscompetitie zijn enorm gezakt. Goes on Track was ook dit jaar een prachtige wedstrijd, maar vooral Zeeuwen lieten het afweten. Durven ze de confrontatie met prestaties uit de jaren stilletjes niet aan? Aan het vergelijken van prestaties kun je in de atletiek inclusief het hardlopen namelijk nauwelijks ontkomen.

Dus wat doen veel hardlopers? Ze zoeken wedstrijden waar vergelijken met vroeger niet kan en dan kom je uit bij de survivalruns, mudruns, urban runs en allerlei trails. Soms extreem lange wedstrijden door bergachtig gebied, maar ook een 15 km waar de winnaar dan 1,5 uur of meer voor nodig heeft.

Wedstrijden als de Kustmarathon reken ik er ook bij, want een goede tijd lopen is op zo’n parcours niet mogelijk. Voor een deel van de hardlopers zijn dit soort wedstrijden een veredelde wandeltocht, maar dat mag de pret niet drukken. Ontkennen dat het desondanks flinke inspanningen zijn, ga ik niet doen, maar met hardlopen heeft het dikwijls weinig te maken.


Het gaat slecht met het hardlopen

Ik roep al jaren dat het slecht gaat met het hardlopen. Lopers genoeg, maar de prestaties worden (zeker in de breedte) steeds minder. Hardlopen wordt op den duur een sport voor mannen en vrouwen ‘op leeftijd’.

In de top 10 bij regionale wedstrijden zien we steeds meer masters en die hebben hun beste tijd normaal gezien gehad. Die paar toppers uit de provincie laten zich bij regionale wedstrijden te weinig zien. Begrijpelijk, want zij proberen er alles uit te halen en zoeken dan sterke tegenstand buiten de provincie, maar het is slecht voor de ontwikkeling van het hardlopen in Zeeland. Juist deze atleten hebben een voortrekkersrol en zouden hun gezicht bij regionale wedstrijden meer moeten laten zien.

En dat de trainers een stimulerende rol moeten spelen, lijkt me helemaal duidelijk. Soms ervaar ik hun inbreng meer als een rem op de deelname aan wedstrijden dan als stimulans. Van de spreuk ‘De wedstrijd is nog altijd de beste training’ hebben ze blijkbaar nog nooit gehoord. Maar dan moet je natuurlijk wel met de b ……… b…….

Jan Roose

 

Share this post